Laatste update: 29/06/2017

Overervering

Elk nieuw individu ontstaat uit de samensmelting van een eicel en een zaadcel.

Onder DNA hebben we gezien dat we het mitochondriale DNA uitsluitend van onze moeder erven, maar dat het gros van ons erfelijk materiaal in het nucleaire DNA is opgeslagen.
Bovendien weten we (zie DNA-overdracht) dat onze voortplantingscellen ontstaan uit een reductiedeling, die het aantal chromosomen halveert. Het zijn daarmee de enige lichaamscellen die maar 23 chromosomen tellen (in plaats van 23 paren).
Tijdens de bevruchting versmelt de eicel met de zaadcel en ontstaat één enkele cel met – als alles goed gaat – 46 chromosomen: 23 van de moeder en 23 van de vader.
In de eicel is het 23ste chromosoom per definitie een X; een zaadcel daarentegen draagt ofwel een X ofwel een Y. Daarmee bepaalt de zaadcel het geslacht van het embryo in wording: voegt ze een X toe, dan wordt het embryo XX (een meisje), in het andere geval XY (een jongen).

Via de chromosomen erven we onze genen, die we logischerwijze ook in het dubbel hebben. De twee varianten van hetzelfde gen noemen we allelen.

Als een bepaalde eigenschap of aandoening gebonden is aan één gen, noemen we dat monogenetisch. Als meerdere genen verantwoordelijk zijn, spreken we over multigenetisch en als bijkomend omgevingsfactoren een invloed hebben over multifactorieel.


Gradaties in ernst van de aandoening

Niet elke genetische aandoening komt in dezelfde mate of op hetzelfde tijdstip tot uiting in elk persoon die de aandoening heeft.
We onderscheiden drie factoren die de ernst van een aandoening kunnen bepalen.
  • Mozaïcisme: het defect is niet aanwezig in alle cellen, komt steeds tot expressie in cellen met defect, vandaar gradatie van mild tot ernstig.
  • Penetrantie: het defect is aanwezig in alle cellen maar komt niet steeds tot uiting, is individu-afhankelijk, niet tot moeilijk te voorspellen bij wie, dus ja eerder een loterij.
  • Expressie: het defect is aanwezig in alle cellen, komt steeds tot uiting, maar op een variabele manier bv. Marfan is een bindweefselaandoening: bindweefsel komt voor in bijna alle organen of delen van ons lichaam, vandaar de grote verschillen in expressie.

Iemand met een genetische aandoening kan zowel over normale als abnormale cellen beschikken.
Dat fenomeen noemen we mozaïcisme en is het gevolg van een fout in de celdeling van een aantal cellen in de vroege ontwikkeling van een embryo of foetus.

Mozaïcisme is vooral waar te nemen op chromosomaal niveau, in het bijzonder bij numerieke afwijkingen zoals het syndroom van Down, Klinefelter of Turner.
Ook op DNA-niveau komt mozaïcisme voor, o.a. bij het fragiele-X-syndroom, te wijten aan de (variabele - ingeval van mozaïcisme) expansie van een trinucleotide repeat.

Afhankelijk van het percentage aangetaste cellen is de expressie van de genetische aandoening sterk of minder sterk. Bij mensen met een dergelijk syndroom kunnen we dat ook visueel en medisch waarnemen (meer of minder uiterlijke kenmerken en symptomen).

In sommige gevallen kan eenzelfde gendefect resulteren in een ander variabel klinisch beeld bij verschillende individuen, zelfs binnen één familie.
Dat noemen we aandoeningen met variabele expressie. De patiënten zullen steeds symptomen vertonen, zij het variërend van mild tot ernstig.
Voorbeelden hiervan zijn Marfan syndroom en neurofibromatose.

In geval van onvolledige penetrantie kan een aandoening ofwel tot uiting komen ofwel niet. De frequentie waarmee het gendefect tot expressie komt in individuen wordt meestal procentueel uitgedrukt.
IJzerstapelingsziekte (of hereditaire hemochromatose) is een voorbeeld van een aandoening met variabele penetrantie.

Sommige genetische aandoeningen komen maar tot expressie op latere leeftijd, dikwijls na de reproductieve jaren.
Dat heeft tot gevolg dat een persoon die de ziekte kan ontwikkelen, de aandoening kan doorgeven aan zijn nakomelingen voor ze bij hem of haar tot uiting komt.
Dat is bv. het geval bij de ziekte van Huntington en bij cerebellaire ataxieën, d.w.z. bewegingsstoornissen door een aandoening ter hoogte van de kleine hersenen.