Laatste update: 29/06/2017

DNA-overdracht

Onze lichaamscellen vernieuwen en vermenigvuldigen zich door te delen. Maar de celkern kan niet zomaar in tweeën worden gedeeld, want het aantal chromosomen (die alle erfelijke informatie bevatten) moeten onveranderd doorgegeven worden van cel naar cel.
Daarom worden ze — in de fase van celdeling die we mitose noemen — gekopieerd en dus verdubbeld, om daarna paarsgewijs over beide cellen te worden verdeeld.

Dat gebeurt in al onze lichaamscellen, inclusief die waaruit het embryo zich ontwikkelt na bevruchting van de eicel door een zaadcel.
Die twee laatste zijn evenwel de enige cellen van ons lichaam die op een andere manier ontstaan. Aangezien zowel zaadcel als eicel maar 23 chromosomen mogen bevatten (in plaats van 23 chromosomenparen) zijn ze het resultaat van een reductiedeling (of meiose). Daarbij zullen de maternele en paternele chromosomen eerst elk afzonderlijk vermenigvuldigen en onderling paren waarbij materiaal wordt uitgewisseld. Dat fenomeen noemen we recombinatie. Na de reductiedeling worden de gerecombineerde chromosomen volgens het toeval verdeeld over de nieuw ontstane cellen.

Al met al is celdeling een ingewikkeld proces, waarbij de mechanismen van kopiëren en recombineren verantwoordelijk zijn voor DNA-variatie. Het zijn die (soms kleine, soms grote) verschillen in ons DNA die elk van ons uniek maken. Soms resulteren ze in 'fouten' en die kunnen aan de basis liggen van bepaalde aandoeningen.

<top>

Erfelijke overdracht

Sommige varianten of afwijkingen in onze chromosomen of genen hebben we doorgekregen via de geslachtscellen van onze ouders. De variant is m.a.w. aanwezig in de eicel en/of de zaadcel en wordt daardoor overgedragen aan al onze cellen. Als embryo ontwikkelen we ons nu eenmaal uit die twee ouderlijke voortplantingscellen (de eicel en de zaadcel), die zich na samensmelting via celdeling vermenigvuldigen en verder specialiseren tot een nieuw wezen. Dat is de basis van onze erfelijkheid: daardoor lijken we op onze ouders en andere familieleden – want elke familie kent specifieke genvariaties – en daardoor erven we soms ook bepaalde afwijkingen. In geval van dergelijke afwijking of ziekte spreken we van een aangeboren of constitutionele aandoening.

Lees hierover meer in Overerving.

<top>